Huishoudens met een laag inkomen kunnen afhankelijk van hun woonplaats honderden euro's per jaar meer of minder aan gemeentelijke ondersteuning ontvangen. Dat blijkt uit een inventarisatie van het Instituut voor Publieke Economie (IPE), waaruit naar voren komt dat de hoogte van de individuele inkomenstoeslag per gemeente aanzienlijk verschilt.
Voor een gezin met een 14-jarig kind bedraagt de jaarlijkse inkomenstoeslag in Leidschendam-Voorburg 450 euro. In Zoetermeer ontvangt een vergelijkbaar gezin daarentegen 823 euro per jaar. Dat betekent een verschil van 373 euro, terwijl de financiële situatie van de huishoudens hetzelfde kan zijn.
De verschillen ontstaan doordat gemeenten zelf mogen bepalen hoe zij de individuele inkomenstoeslag invullen. Niet alleen de hoogte van het bedrag verschilt, ook de voorwaarden om ervoor in aanmerking te komen kunnen per gemeente uiteenlopen. Daardoor kan iemand in de ene gemeente wel recht hebben op de regeling, terwijl een vergelijkbaar huishouden in een naburige gemeente buiten de boot valt.
De individuele inkomenstoeslag is bedoeld voor inwoners die al langere tijd moeten rondkomen van een laag inkomen en weinig uitzicht hebben op een verbetering van hun financiële situatie. De bijdrage kan worden gebruikt voor onverwachte uitgaven of om noodzakelijke kosten op te vangen.
Volgens het Instituut voor Publieke Economie laten de cijfers zien dat de ondersteuning van minima in Nederland sterk afhankelijk is van de gemeente waarin iemand woont. Daarmee ontstaat volgens de onderzoekers een situatie waarin vergelijkbare huishoudens niet overal op dezelfde financiële steun kunnen rekenen.
Voor inwoners van Leidschendam-Voorburg kan het daarom verstandig zijn om na te gaan welke gemeentelijke regelingen naast de individuele inkomenstoeslag nog beschikbaar zijn. Gemeenten bieden vaak aanvullende voorzieningen, zoals bijdragen voor sport, cultuur, schoolkosten of energiekosten, die de financiële druk voor huishoudens met een laag inkomen kunnen verlichten.