Grote verschillen in dakloosheidscijfers Leidschendam-Voorburg

05 november 2026, 10:41 uur
Lokaal
mainImage
Eveline van Egdom (Straatconsulaat)

Hoeveel mensen zijn er daadwerkelijk dakloos in Leidschendam-Voorburg? Deze vraag blijkt minder eenvoudig te beantwoorden dan gedacht. Volgens burgemeester Martijn Vroom waren vorig jaar 73 dakloze personen bekend bij het gemeentelijke daklozenloket.

Onder hen bevonden zich elf jongeren onder de 23 jaar. Een ander onderzoek kwam echter uit op 130 dakloze personen, waaronder 26 kinderen. Het grote verschil tussen beide tellingen roept vragen op over de omvang van het probleem en de manier waarop dakloosheid wordt geregistreerd.

De cijfers kwamen naar voren in antwoorden van burgemeester Vroom op schriftelijke vragen van D66. De partij wilde meer duidelijkheid over de situatie van mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats in de gemeente. Het verschil tussen 73 en 130 personen is aanzienlijk. De uitkomsten hoeven elkaar echter niet tegen te spreken. De gemeentelijke registratie betreft mensen die bij het daklozenloket bekend zijn, terwijl een bredere telling ook personen kan omvatten die niet bij de gemeente aankloppen voor hulp.

Daarbij gaat het bijvoorbeeld om mensen die tijdelijk bij familie, vrienden of kennissen verblijven omdat zij geen eigen woning hebben. Deze groep wordt ook wel aangeduid als verborgen daklozen. Zij slapen niet noodzakelijk op straat, maar beschikken evenmin over een stabiele en zelfstandige woonplek.

Juist deze groep is moeilijk in beeld te krijgen. Mensen die tijdelijk op een bank bij vrienden slapen of noodgedwongen van adres naar adres verhuizen, komen niet altijd terecht bij officiële hulpinstanties. Daardoor kan de werkelijke omvang van dakloosheid groter zijn dan uit gemeentelijke registraties blijkt.

Opvallend is ook het aantal kinderen en jongeren in de tellingen. Bij het gemeentelijke daklozenloket waren elf jongeren onder de 23 jaar bekend. Het andere onderzoek telde 26 kinderen die met dakloosheid te maken hadden.

Deze aantallen zijn niet rechtstreeks vergelijkbaar, omdat kinderen en jongeren onder de 23 jaar verschillende leeftijdsgroepen vormen. Wel laten de cijfers zien dat dakloosheid niet uitsluitend een probleem is van alleenstaande volwassenen.

Voor gezinnen met kinderen kan het ontbreken van een vaste woonplek grote gevolgen hebben. Onzekerheid over huisvesting kan doorwerken in het dagelijks leven, de schoolgang en het welzijn van kinderen. Ook voor jongeren die zelfstandig proberen te worden, vormt het ontbreken van stabiele huisvesting een grote belemmering.

De woningmarkt speelt daarbij een belangrijke rol. Wie na een relatiebreuk, het verlies van werk of de verkoop van een woning geen andere woonruimte kan vinden, kan afhankelijk worden van tijdelijke opvang bij anderen. Niet iedereen die in zo'n situatie terechtkomt, ziet zichzelf direct als dakloos.

Voor de gemeente ligt hier een belangrijke uitdaging. Om passende ondersteuning te kunnen bieden, moet duidelijk zijn hoeveel inwoners daadwerkelijk zonder stabiele woonruimte zitten. Daarbij is niet alleen het aantal mensen van belang, maar ook de duur van hun situatie en de vraag welke hulp zij nodig hebben.

De cijfers roepen bovendien vragen op over de beschikbare opvangmogelijkheden. Hoeveel inwoners kunnen terecht in tijdelijke opvang? Welke ondersteuning is er voor gezinnen met kinderen? En wat gebeurt er met mensen die niet in aanmerking komen voor een opvangvoorziening, maar ook geen eigen woning kunnen vinden?

Voor D66 en de overige gemeenteraadsfracties bieden de antwoorden van burgemeester Vroom aanleiding om verder te kijken naar de effectiviteit van het gemeentelijke beleid. Een belangrijk aandachtspunt is het bereiken van inwoners die buiten de officiële registraties blijven. Wanneer mensen niet bekend zijn bij hulpverleningsinstanties, bestaat het risico dat problemen pas worden gesignaleerd wanneer hun situatie verder is verslechterd.

Ook samenwerking met woningcorporaties, maatschappelijke organisaties en hulpverleners kan van belang zijn om dreigende dakloosheid eerder te herkennen. Het verschil tussen de twee tellingen maakt in ieder geval duidelijk dat het aantal geregistreerde daklozen niet zonder meer gelijkstaat aan het totale aantal inwoners zonder vaste woonplek.