Wie sprak er eigenlijk Nederlands in de tangsi? Het was een vreemde vraag om doordeweeks aan jezelf te stellen, maar ik deed het en de oorzaak was het lezen over hoe weinig gangbaar de Nederlandse taal in Indië was rond 1900. Toen dacht ik aan de tangsi.
Daar woonden niet de officieren uit Nederland, of de officieren die via het Instructiebataljon (Kampen) of de Koninklijke Militaire Academie (Breda) hier als Nederlandstaligen arriveerde. Officieren hadden hun woning buiten de tangsi.
In de tangsi waren de soldaten en onderofficieren gelegerd.
Hoe lager de rang, hoe kleiner de kans dat de man Nederlands sprak.
Hoe hoger de rang, des te aannemelijker dat hij wel Nederlands sprak maar daarmee is nog niet gezegd dat hij bijvoorbeeld Javaans sprak.
Het is voor een leger ideaal als iedereen dezelfde taal spreekt, maar dat was voor het KNIL onhaalbaar. Al die etniciteiten, al die lokale taalvariaties. Je mag hopen dat iedereen dezelfde bevelen hanteert en begrijpt tijdens een oorlogsexpeditie of patrouille door vijandelijk gebied.
Er is niet altijd tijd of geld voor een tolk.
De oplossing leek gelegen in de inrichting van militaire korpsscholen, waar Nederlands geleerd kon worden.
In 'Weg tot het Westen', de boeiende studie van Kees Groeneboer, las ik over die Militaire Korpsscholen. Groeneboer schrijft over de afnemende deelname aan dit onderwijs met cijfers waarvan je meteen weet: minder dan weinig.
Vol goede bedoelingen dus, maar met weinig resultaat. Niet voor het Europese kader, dat ook Duits en Frans kon zijn. Niet voor de Indo-Europese militairen die analfabeet waren.
Het tegenvallende resultaat kon haast niet anders in deze tijd, waarin overplaatsingen en expedities voorrang hadden op het onderwijs. Bevoegde docenten ontbraken. Officieren deden het 'erbij', naar eigen inzicht.
Dan weten we het wel.
Het leek me vooral iets voor mannen met ambitie, die wisten: als ik het Nederlands beheers, kan ik hogerop komen. Dat was ook zo. Dan werd het mogelijk om het officiersexamen af te leggen. Mogelijk, zeg ik, want decennialang woedde er achter de schermen een discussie of het wenselijk was dat er inheemse officieren kwamen.
Het grote belang naast het praktische was het Europees prestige. Dat moest hoog gehouden worden. Dus geen Europese officieren die tangsi-maleis spraken en dan nog slecht ook. Daar werd om gelachen. Heimelijk, maar helaas merkbaar.
Ook dit was dus een onhoudbare situatie.
Er verschenen taalgidsen, ook alweer vol goede bedoelingen, maar die gezien de vereiste inspanning weinig zullen hebben bijgedragen. Misschien waren ze bruikbaarder dan het onderwijs aan de Militaire Korpsscholen. Die hebben in ieder geval bestaan tot 1915, met hoe anders de tijden ook waren, steeds met dezelfde uitkomt: het resultaat viel tegen.
Het bleef zoals het was, binnen het KNIL werd nooit een en dezelfde taal gesproken. Soms vraag ik me af, hoe het nog zo lang stand heeft kunnen houden.
https://www.indischeschrijfschool.nl