Het 23-ste wereldkampioenschap voetbal is ten einde, de rust is weergekeerd. Het toernooi dat onder een groot deel van de wereldbevolking de gemoederen hier en daar tot hysterie toe heeft beziggehouden, verdrong de afgelopen maand zelfs de aandacht voor de gruwelen van de diverse oorlogen een tikje naar de achtergrond.
Het team van Spanje kroonde zich na afloop van een in elk geval ophefmakend toernooi terecht tot wereldkampioen. De sportieve machtsgreep voltrok zich op het grootst denkbare podium, in het land van Trump wiens megalomanie ook op dit toneel weer geen grenzen kende. Schaamteloos eiste hij de aandacht voor zich op die natuurlijk niet hem gold, maar de voetbalsterren.
In grootheidswaanzin deed die andere idioot, FIFA-baas Infantino, nauwelijks voor de almachtige president onder. De zweem van corruptie en valsspelerij hebben beiden overigens geen moment kunnen wegnemen.
De in alle opzichte superieure Spanjaarden redden in de Verenigde Staten het gezicht van het voetbal met technisch verfijnd en aanvallend spel dat goedbeschouwd nog steeds de signatuur van Johan Cruijff draagt. Waardig en beschaafd sloegen zij in de finale in New York Jersey de bikkelharde aanvallen van de niets en niemand ontziende Argentijnen af.
Het was een eenzijdige wedstrijd die eens temeer aantoonde dat misdaad niet loont.